Vloedgolf, roes en onbehagen

Het fundament van ons geloof is een vloedgolf*, schrijft David Wilkerson. Watersnood is zegening en bijna doodgaan kicken.

Voor wie deze productieve predikant niet kent, zijn zulke meningen wennen. Wie hem langer meemaakt, herkent de vaste overtuigingen en het stijlmiddel van de ‘verrassende omkering’.

Wilkerson doet dit niet om het effect – iets waarin Oscar Wilde uitblonk (“Arguments are to be avoided; they are always vulgar and often convincing”). Wilkerson koppelt slechts Gods mening terug – en die is nu eenmaal vaak het tegendeel van de wereldse waardering van een verschijnsel.

Een overweldigende vloedgolf van zekerheid
Gaat men eenmaal mee met Wilkersons tegenwereldlijke waarderingen, dan kan men moeilijk terug. Gevoelens, waarneming en zelf nadenken zijn volgens hem van generlei waarde. Gods woord is toetssteen – en dat is Wilkersons specialisme, in rechtstreeks tot hem gesproken vorm of in die van een tot hem gesproken uitleg van Bijbelteksten. Geloven doet u op zijn gezag.

Tegen jezelf ingaan, je gevoelens onbelangrijk achten en zelfstandigheid verafschuwen, het is allemaal bijbels. Alleen door Wilkerson herhaald in dezelfde of andere woorden.

Dat herhalen met andere woorden is niet ‘zelf nadenken’ maar louter lofzang. Wilkerson verandert niets aan de strekking. God leidt hem bij elke stap.

Wilkersons geregelde uitroep in geschrifte “Wat een fantastische belofte!” getuigt daarvan. Wat de Stem zegt, neemt Wilkerson zonder aarzeling voor waar aan en getuigt van zijn volstrekte en onmiddellijke gehoorzaamheid.

Als enige boek ter wereld laat de Bijbel de lezer twee keuzes: instemmen of weigeren. ‘Geloven’ betekent ‘geen procentje twijfel over iets hebben’.

Slechts een enkele keer gebruikt Wilkerson het werkwoord ‘geloven’ in de wereldse betekenis van ‘iets niet zeker weten’, bijvoorbeeld “Ik geloof dat Paulus dit bedoelde toen hij schreef…”.

In zo’n geval klinkt bij Wilkerson echter de Christelijke betekenis mee, zodat, wanneer hij verklaart: “Ik geloof dat het zo zit”, zijn volgelingen opgelucht ademhalen: “O, maar dan moet het waar zijn!”.

Een overweldigende stortvloed van onbegrijpelijkheid
Zoveel zekerheid is, voor wie het nodig heeft, haast te mooi om waar te zijn. Dat is het dan ook niet. Wilkerson knipt Bijbelregels uit hun verband, alsof het onmiddellijk overtuigende waarheden zijn, die zonder de context van het Bijbelverhaal tot spreken komen. Vervolgens monteert hij deze zinnen aan elkaar.

Wilkersons verbindende montagezinnen zweven vaak ‘tussen hemel en aarde’. Hij gebruikt bijvoorbeeld beeldspraak waarvan niet duidelijk is waarnaar zij verwijst. Een voorbeeld:

“Laat de watervloed mij niet overstromen, noch de diepte mij verslinden, noch de put zijn mond boven mij toesluiten. (..)” (Psalm 69:16).

Het is duidelijk dat het water van de verdrukking de levens van de goddelijke mensen overspoelt.

Is ‘watervloed’/ ‘overspoelend water’ letterlijk of figuurlijk bedoeld? Het lijkt slechts een ‘bloemrijke’ manier van zeggen dat iemand veel/grote problemen heeft. Of meent Wilkerson het letterlijk? En zo ja, wat bedoelt hij dan?

Geregeld – zoals in het voorbeeld hierboven – zijn de door Wilkerson aangehaalde Bijbelregels zelf onduidelijk. In plaats van te onderzoeken wat ze betekenen…gaat Wilkerson mee in de onduidelijkheid en laat onbeslist waarover hij spreekt. Of verheldert een onduidelijke beeldspraak met nieuwe onduidelijke beeldspraak.

Een ander voorbeeld:

Want Ik, de HERE, uw God, grijp uw rechterhand vast; die tot u zeg: Vrees niet, Ik help u” (Jesaja 41:13).

Dit laatste vers bevat een belangrijke sleutel: in elke wildernis die we tegenkomen, houd onze hemelse Vader onze hand vast. Maar enkel zij die door de wildernis trekken ontvangen Zijn hand van troost. Hij strekt Zijn hand uit naar hen die gevangen zitten in razende rivieren van problemen.

Een niet benevelde lezer kan hieraan geen touw vastknopen en vraagt Wilkerson met klem:

Druk u alstublieft wat helderder uit! Over welke “wildernis” heeft u het? Spel de “rivieren van problemen” van sommige van uw volgelingen uit, word alstublieft concreet – dan kunnen we iets doen, verhelpen, oplossen.

Welke problemen hebben uw volgelingen nu precies: drugs, schulden, psychiatrische stoornis, ontzetting uit de ouderlijke macht, huwelijksproblemen, een geloofscrisis, moeite met leren, geen werk, dakloosheid, aambeien?“.

En moet ik nog over die “hand van God” beginnen? Lopen we hand in hand met God, God rechts van ons, althans met onze rechterhand vast? “Hand van troost”? God belooft ons te helpen, sukkel, aan de overwinning 
op de beproeving, wil dat zeggen. Waarom die sentimentele voorkeur voor het natte zilt van onmacht, passiviteit, lijden
?

U bent vijftig jaar geleden een tijd in een getto actief geweest? Ik vrees dat u het contact met de hedendaagse taal van de straat verloren bent.

Onbehagen
Wilkersons beschrijvingen van ‘ellende’ van zijn volgelingen, hoe ergerniswekkend overdreven soms ook, ogen doorleefder dan de ‘vreugde’ die hij voorspiegelt ná de ellende. De ellende is weliswaar vaak gesentimentaliseerde ervaring maar ervaring. De vreugde daarentegen is onbestemde toekomstmuziek.

Behalve voorpret valt er aan ‘beloften’ niets te ervaren. Dogmatiek gaat over behoren, niet zijn; niet over wat je voelt, maar wat passend zou zijn.

na 7.30 minuten slaat de ontroering toe
en huilt Wilkerson met droge wangen

Roes

Een wereldse verklaring voor de blijvende (onbestemde) ellende van Wilkersons volgelingen is de onpraktische kwaliteit van zijn geloofswenken. ‘Praktijk’ interesseert gelovigen van het slag Wilkerson niet. Praktijk = wereld. Vooruitkomen of zelfs maar zich handhaven in de wereld is het doel niet. Om die reden treffen deze gelovigen anderen vaak als doodsverlangers.

Het object van religieus verlangen mag dan niet van deze wereld zijn, de taal waarin men erover spreekt is dat wel.

De gewetensvraag voor de gelovige is of hij/zij zich ontslagen mag achten van redelijke gesprekseisen als ‘zich helder uitdrukken’ of ‘ernaar streven interne tegenstrijdigheden te voorkomen’.

Een in het oog springende interne tegenstrijdigheid is, bijvoorbeeld, waarom een vijand van het verstand als David Wilkerson elke werkdag nu net betogen opstelt en het intellect van de lezer aanspreekt.

Hij had immers ook rijk aangeklede (“rooms-katholieke”) clips met religieuze zang op het internet kunnen plaatsen. Dat roept mogelijk sterker Gods aanwezigheid en grootsheid op dan Wilkersons cerebrale, dogmatische en – ondanks het geregeld gebruik van uitroeptekens – opmerkelijk geestloze taal.

Begrijpelijke reden voor die doodsheid is dat alle Wilkersoniaanse verheugdheid, overweldiging en euforie vooruitverlangen is. Voorpret kan aanstekelijk zijn maar niet als de grote gebeurtenis niet plaatsvindt. Bedenk bijvoorbeeld wat gebeurt met de voorpret over een vakantie als deze uitgesteld blijft worden.

Wilkerson gebruikt taal niet om de geest in een ontvankelijke, roesachtige toestand te brengen. De ontvankelijke ervaart God in de resulterende verwarring, anderen ergeren zich.

*: Dat het geloof is gebouwd op een vloedgolf schrijft Wilkerson vandaag niet. Waarop het dan wel is gebouwd, evenmin. Hij vergeet de vraag te beantwoorden: “Op welk fundament is uw geloof gebouwd? De Schrift vertelt ons dat het geloof komt van het horen, en dat Gods woord ons “geestelijke oren” geeft die ons in staat stelt te horen“. Tenzij ‘geestelijke oren’ het verrassende antwoord is. Dat zou goed passen bij Wilkersons vloeibare redeneerkunst – en zo eindigen we toch bij een fundament van water.

Advertenties

The URI to TrackBack this entry is: https://hogerhoning.wordpress.com/2010/01/20/vloedgolf-en-onbehagen/trackback/

%d bloggers liken dit: