Zie, ik maak alle dingen eender

David Wilkerson heeft een talent: geef hem een onderwerp en hij eindigt met zijn drie, vier vaste geloofswaarheden. Het is de Willy Alfredo onder de rondtrekkende predikers (David Wilkersons ‘Totally Hopeless!’ Tour), de Geert Wilders van de meningsdiversiteit! Vandaag is “aartsvader Jacob” aan de beurt. Van held tot sukkel.

Een oud verzinsel
Ik begin met een oud verhaal:

Odysseus belandt op Sicilië. De rozevingerige dageraad verdwijnt uit zicht als hij een grot betreedt. De gastheer is een reus, Odysseus om die reden wat benauwd. Meegenomen wijn van de beste kwaliteit moet de gastheer mild stemmen.

Even later arriveert Polyphemos, eenoog met onaangenaam karakter. Hij hoort Odysseus uit. Deze wendt voorzichtigheidshalve voor dat hij met zijn twaalf man schipbreuk geleden heeft. Polyphemos weet voldoende:

“Hij greep er twee tegelijk en als jonge honden sloeg hij ze tegen de grond. De hersens stroomden over de bodem en bevochtigden de aarde. Hij sneed hen in stukken en maakte hen klaar voor zijn maal. Hij vrat als een leeuw in de bergen – en niets liet hij over – het ingewand en het vlees en de mergrijke botten. Wij hieven wenend de handen tot Zeus bij het zien van dat gruwelijk bedrijf”.

How do you solve a problem like Polyphemos?

Wat te doen? Hem vermoorden – als het al lukt – heeft geen zin: Polyphemos sluit de toegang tot zijn grot af met een rotsblok. Geen paar mensenhanden, hoeveel paren ook verenigd, krijgen het weggerold.

Overdag, als Polyphemos zijn schapen hoedt (de grot met rotsblok afgesloten), kapt Odysseus een stuk af van een reusachtige knuppel – een jonge, door Polyphemos afgebroken olijfboom. Hij laat zijn mannen de stam glad schaven en slijpt er een punt aan, die hij in het vuur verhardt. Daarna verbergt hij hem onder een hoop mest.

’s Avonds verslindt Polyphemos weer twee man. Odysseus vraagt hem of hij er niet iets bij wil drinken en o- verhandigt zijn geschenk, een tobbe wijn. De wijn bevalt en Polyphemos vraagt een tweede tobbe. Maar ook vraagt hij Odysseus naar zijn naam. Hij wil hem op zijn beurt met een geschenk bedenken.

Odysseus, immer op zijn hoede, geeft een valse naam op, “Niemand”. Polyphemos onthult zijn geschenk: Odysseus wordt pas als laatste opgegeten, de grappenmaker: 

“Daar lag hij, zijn dikke nek opzij gebogen en de albedwinger slaap kreeg hem in zijn macht. De wijn spoot hem uit de keel en de brokken mensenvlees”.

Nu of nooit! Vijf man tillen met vereende krachten de knuppel op (dat is nog wel te doen), van onder de mest, verhitten hem aan de as van het vuur en steken Polyphemos het oog uit!

In razernij brult de gevelde reus om hulp. Familie snelt toe vanuit naastbijgelegen grotten, geschrokken door het rumoer op dit middernachtelijk uur. “Voert soms iemand je vee weg tegen je wil? Of wil iemand je doden met list en geweld?”. “Ach, vrienden, Niemands list, geen geweld, dreigt mij met de dood!”. ‘O, dan is het ziekte door Zeus gezonden, daaraan kunnen we niets doen’.

De volgende ochtend posteert Polyphemos zich in de grotopening. Alleen schapen komen er door! Goede raad is duur. Alweer een listig plan: Odysseus’ mannen gebruiken twijgen uit het bed van Polyphemos om rammen per drietal samen te binden. Een voor een klemmen ze zich vast onder de middelste ram van een driespan, en verlaten de grot onopgemerkt. Behalve Odysseus, die is de laatste. Maar hem lukt het toch ook, door zich vast te klemmen aan de buikvacht van de sterkste ram.

Wat is hij toch slim! Had hij vooraf al bedacht! Polyphemos betast weliswaar alle schapen voor hij ze doorlaat – maar niet hun buiken!

Roeiend naar zijn afgemeerde schip, kan Odysseus het niet laten Polyphemos te laten weten dat hij is ontsnapt. Het antwoord: een rotsblok slaat in naast de roeiboot! Op de vloedgolf drijft het bootje terug naar de kust! Slechts door te zwijgen als het graf en als razenden terug te roeien ontsnappen de mannen aan de moordenaarsmuil!

Ondanks een klemmend beroep van zijn bemanning dit niet te doen, slingert Odysseus Polyphemos opnieuw woorden naar het hoofd – nu op veiliger afstand. Niettemin ploft een tweede rotsblok neer. Eigenlijk wil Polyphemos zeggen: “Ik erken de glorie van Jezus Christus”.

Uit het leven gegrepen
David Wilkerson zou de situatie van Odysseus als volgt typeren:

“Het was het laagste, diepste en angstaanjagendste punt in het leven van Odysseus. Odysseus werd geconfronteerd met een totale ramp en was ervan overtuigd dat hij op het punt stond om alles te verliezen. Alles zag er totaal hopeloos uit”.

Precies zo vat Wilkerson de situatie van een Bijbelse Odysseus samen, aartsvader Jacob. Volg hieronder Jacobs listen en dan David Wilkersons metamorfose:

Jakob stuurde boden vooruit naar zijn broer Esau in Seïr, het gebied van Edom, en droeg hun het volgende op: ‘Jullie moeten tegen mijn heer, tegen Esau, zeggen: “Uw dienaar Jakob laat u weten dat hij een tijdlang bij Laban heeft gewoond en pas nu bij hem is weggegaan. Hij heeft daar runderen, ezels en schapen en geiten in bezit gekregen, en ook slaven en slavinnen. Deze boodschap laat hij aan u, zijn heer, overbrengen in de hoop dat u hem goedgezind zult zijn.”’

Toen de boden bij Jakob terugkwamen, meldden ze hem: ‘We zijn bij uw broer Esau geweest, en hij komt u tegemoet, met vierhonderd man.’ Jakob schrok hevig, het angstzweet brak hem uit. Daarom verdeelde hij zijn mensen over twee kampen, evenals zijn schapen en geiten en zijn runderen en kamelen. Als Esau op het ene kamp afkomt en daar alles doodt, dacht hij, kan het andere kamp tenminste nog ontkomen. 

En hij bad: ‘God van mijn voorvader Abraham, God van mijn vader Isaak, HEER, die tegen mij gezegd heeft: “Ga terug naar je land, naar je familie, ik zal jou voorspoed geven” – ik ben alle weldaden en al de trouw die u aan mij, uw dienaar, bewezen hebt niet waard. Met alleen mijn stok ben ik indertijd de Jordaan hier overgestoken, en nu kan ik mijn mensen zelfs over twee kampen verdelen. Ik smeek u, red mij uit de handen van Esau, mijn broer, ik vrees dat hij ons zal aanvallen en mij en iedereen zal doden, ook de kinderen en hun moeders. U hebt immers zelf gezegd: “Ik zal jou grote voorspoed geven en veel nakomelingen, ze zullen zo talrijk zijn als zandkorrels aan de zee – niet te tellen zullen ze zijn.”’

Nadat Jakob de nacht daar had doorgebracht, stelde hij uit het vee dat hij bezat een geschenk voor zijn broer Esau samen: tweehonderd geiten en twintig bokken, tweehonderd ooien en twintig rammen, dertig nog zogende kamelen met hun veulens, veertig koeien, tien stieren, twintig ezelinnen en tien ezelshengsten. Elk van die kudden stelde hij onder het toezicht van een knecht, en hij gaf de knechten opdracht om voor hem uit te trekken en tussen de verschillende kudden een ruime afstand te laten. 

Tegen de eerste knecht zei hij: ‘Als je mijn broer Esau tegenkomt en hij vraagt je bij wie je hoort en waar je heen gaat, en van wie de dieren zijn die je voor je uit drijft, dan moet je zeggen: “Ik hoor bij uw dienaar Jakob, en dit is een geschenk dat bestemd is voor zijn heer, voor Esau. Jakob zelf komt achter ons aan.”’ Ook de tweede en de derde knecht en alle verdere knechten die hij met de kudden meestuurde droeg hij dit op. ‘Jullie moeten precies hetzelfde tegen Esau zeggen als jullie hem tegenkomen,’ zei hij. ‘En vergeet vooral niet te zeggen: “Uw dienaar Jakob zelf komt achter ons aan.”’

Hij dacht namelijk: Ik zal proberen Esau mild te stemmen met het geschenk dat ik vooruitstuur; pas daarna durf ik hem zelf onder ogen te komen, misschien is hij dan bereid mij welwillend te ontvangen. Zo ging het geschenk voor hem uit, maar zelf bleef hij die nacht nog in het tentenkamp.

Het was nog nacht toen Jakob opstond en de Jabbok overstak op een doorwaadbare plaats, samen met zijn beide vrouwen, zijn twee bijvrouwen en zijn elf kinderen. Nadat hij hen over de rivier had geholpen, bracht hij ook al zijn bezittingen naar de overkant. Maar zelf bleef hij achter, helemaal alleen.

Wilkerson:

Het was het laagste, diepste en angstaanjagendste punt in het leven van Jacob.

In dit tijd was Jacob gevangen tussen twee krachtige machten: zijn boze schoonvader en zijn vijandige, verbitterde broer Ezau. (..)  Laban was niet eerder dan dat uit beeld, maar dan kwam Ezau uit het westen. Hij leidde ook een klein leger van zo’n 400 man, klaar om zijn broer te doden vanwege het stelen van zijn geboorterecht. Jacob werd geconfronteerd met een totale ramp en was ervan overtuigd dat hij op het punt stond om alles te verliezen. Alles zag er totaal hopeloos uit.

De metamorfose

aartsvader Jacob na de metamorfose

De ingrepen van Wilkerson volgen een vast patroon: het benadrukken van onmacht en afhankelijkheid en het negeren van blijken van zelfstandigheid. Daarna staat niets zijn vaste conclusie nog in de weg: ‘geloof’, simpelweg vertrouwen, is zo belangrijk:

Er gebeurt iets geweldigs wanneer we simpelweg vertrouwen. Er komt een vrede over ons heen, die ons in staat stelt te zeggen “Het maakt niet uit wat er uit deze beproeving voortkomt, mijn God heeft alles onder controle, ik heb niets te vrezen”.

Wilkerson is in dat verband erg gelukkig met de bijbelpassage die onmiddellijk volgt op waar we Jacob achterlieten:

Maar zelf bleef hij achter, helemaal alleen, en er worstelde iemand met hem totdat de dag aanbrak. Toen de ander zag dat hij het niet van hem kon winnen, raakte hij Jakobs heup aan, en daardoor raakte Jakobs heup tijdens die worsteling ontwricht. Toen zei de ander: ‘Laat mij gaan, het wordt al dag.’ Maar Jakob zei: ‘Ik laat u niet gaan tenzij u mij zegent.’ De ander vroeg: ‘Hoe luidt je naam?’ ‘Jakob,’ antwoordde hij. Daarop zei hij: ‘Voortaan zal je naam niet Jakob zijn maar Israël, want je hebt met God en mensen gestreden en je hebt gewonnen.’ Jakob vroeg: ‘Zeg me toch hoe u heet.’ Maar hij kreeg ten antwoord: ‘Waarom vraag je naar mijn naam?’ Toen zegende die ander hem daar. Jakob noemde die plaats Peniël, ‘want,’ zei hij, ‘ik heb oog in oog gestaan met God en ben toch in leven gebleven.’ 

Zodra hij bij Peniël was overgestoken, zag hij de zon opkomen. Jakob liep mank. Omdat de ander hem had aangeraakt bij de spier die boven het heupgewricht ligt, eten de Israëlieten de heupspier niet, tot op de dag van vandaag.

Wilkersons interpretatie:

  • de engel is God
  • je moet God ‘geloven’, dan krijg je heel bijzondere gevoelens van binnen
  • God redt [alle] gelovigen uit [alle] “totaal hopeloze” situaties.

Jacobs metamorfose tot arme van geest is echter vergezocht. Zo bidt Jacob weliswaar tot God en herinnert Hem aan diens belofte, maar gaat ook de volgende dag ‘gewoon’ door met zo slim mogelijk opereren en de kans op uitmoording door Esau zo gering mogelijk proberen te maken. En wat te denken van een Jacob wiens kracht die van God evenaart

Volgens de leer van Wilkerson zakt Jacob totaal voor de geloofstest van ‘simpelweg vertrouwen’. Hij is een hopeloos geval: te zelfstandig (of ‘verwaand‘, zoals Wilkerson dat noemt) en sterk.

Wilkersons metamorfosemachine

Het probleem lijkt mij echter niet Jacob maar David Wilkerson.

geloof, geloof, geloof en warm gevoel van binnen

Op de heupen hebben
De ontwrichting van Jacobs heup en de daaruit volgende bijzondere positie van de heupspier bij de Joden interesseert Wilkerson niet, zoals hij ook geen column wijdt aan de Mozaïsche spijswetten. Maar de engel vervult hem van blijdschap:

Alles zag er totaal hopeloos uit; maar in dat donkere uur had Jacob een ontmoeting met God zoals hij die daarvoor nog nooit gehad had. Hij worstelde met een engel waarvan geleerden denken dat het de Heer zelf was.

David Wilkerson: never a dull moment

“Een ontmoeting zoals hij daarvoor nog nooit gehad had” – Wilkerson vult de tekst aan. Alleen in een banale zin is Wilkersons uitspraak waar: elk Godscontact is uniek, net zoals iedere maaltijd, ook die van Polyphemos, al eet hij alle dagen mensenvlees. Maar het lijkt erop of Wilkerson weer eens op de stoel van God plaatsneemt en eigen oordelen velt over de kwaliteit van Jacobs Godscontact.

‘Waarvan geleerden denken dat het de Heer was’ klinkt uit de mond van Wilkerson vermakelijk. Hij mag zelf uitleggen hoe hij zijn plotselinge sympathie voor ‘geleerdheid’ combineert met zijn gehamer op ‘simpelweg geloven’ en geschimp op zelfdenkende Christenen.

Hoe zouden ‘geleerden’ overigens de aard van de engel kunnen vaststellen (als het al een engel was)?

  • Bedoelt Wilkerson Bijbelse archeologen? Ik zie niet in hoe naar de aard van het worstelwezen serieus onderzoek kan worden gedaan. Voetafdrukken in het rivierzand? De plek is met geen mogelijkheid te traceren. En zou een engel sporen nalaten?
  • Theologen dan? Dan bestaat hun materiaal uit de Bijbeltekst en is hun ‘kennis’ de interpretatie van dit materiaal. Kennis van de taal waarin Genesis geschreven is, kan helpen maar is niet voldoende. Hermeneutiek is de leer van het interpreteren van teksten. Er zijn criteria om de geldigheid/overtuigingskracht van uiteenlopende interpretaties te wegen. Maar het blijft ‘zachte’ geesteswetenschap.

Oplichter der liefde
Het moet me van het hart: Wilkerson is weinig heldhaftig. De Bijbelse helden in de door hem aangehaalde “totaal hopeloze situaties” triomferen op aarde. Ook Wilkerson houdt zijn lezers zulke aardse triomfen voor alsof binnen handbereik, net zoals hij ze elders voorspiegelt dat spectaculaire Bijbelse wonderen ook nu, in hedendaagse Christenlevens, mogelijk zijn en daadwerkelijk plaatsvinden.

Maar lees je goed, dan dekt Wilkerson zich in:

David Wilkerson

Wilkerson verleidt met de jackpot maar aanvaardt geen aansprakelijkheid voor een eigen geldje of minder. En terecht. Vraagt u er immers niet om bedrogen te worden?

Schrale troost
Zijn Wilkersons stokpaardjes alles wat uit Jacobs geworstel met de engel te halen valt? Welnee! Hieronder een intelligente interpretatie. Zij maakt meteen het verschil duidelijk tussen Jacob en Odysseus.

Advertenties

The URI to TrackBack this entry is: https://hogerhoning.wordpress.com/2010/01/29/zie-ik-maak-alle-dingen-eender/trackback/

%d bloggers liken dit: