Kwestie van karakter(loosheid)

Wat waren de oude profeten bijzondere mensen! Ze huilden, rouwden, hadden baarden, wasten zich soms dagen niet en lagen met grote volharding op straat! Zo zetten ze met succes God en natie onder druk. David Wilkerson, oud prediker, bewondert zijn voorgangers. Graag zou hij zich op vergelijkbare wijze verdienstelijk maken. Maar hij mist het karakter, moet hij bekennen. Misschien biedt de China-route een uitweg.

Genetisch verschilt Wilkerson in niets van Ezra, Nehemia, een willekeurige straathond of de beroemde bijbeltekstenschrijvers J, P en E. Maar een karakterzwakte onderscheidt hem van tenminste Ezra en Nehemia. Machteloos gehoorzaam ziet Wilkerson hoe alles verder gaat, zonder dat God hem inschakelt voor een grote taak.

Welk een heldendaden verrichtten die vroege Jahweh-aanhangers!

Als ik lees over de daden van godvrezende mannen in het oude testament, brandt mijn hart. Deze dienaren (..) verrichtten krachtige werken die de meeste Christenen vandaag de dag versteld zouden doen staan. 

(..) Ze waren in diep verdriet gehuld en rouwden dagen aan een stuk vanwege de afgegleden situatie van hun natie. Zij weigerden te eten, te drinken of hun lichamen te wassen, ze trokken stukken haar uit hun hoofd en baard. De profeet Jeremia lag zelfs 365 dagen op z’n zij op straat, en waarschuwde continu voor het komende oordeel. 

Ik vraag me af waar deze heiligen het geestelijk gezag en het uithoudingsvermogen vandaan haalden om te doen wat ze deden. Het waren (..) dienaren van een compleet andere soort als we vandaag de dag in de kerken tegenkomen. (..) Ik weet dat ik totaal niet als hun ben en ken geen enkele Christen die dat wel is. (..) 

Deze mannen bezaten iets in hun karakter wat maakte dat God Zijn hand op hen legde. (..) En Hij dringt er bij ons op aan om vandaag de dag diezelfde karaktereigenschap te ontwikkelen. 

Aldus een gedeelte van Wilkerson’s licht delirerend betoog.

Zo weinig als Wilkerson het religieuze kanjerzijn uit eigen ervaring kent, zo veel snapt hij God. Een snipper Bijbeltekst volstaat. Vandaag is het Ezra, een van de oudtestamentische krachtpatsers. De Bijbel zegt dat “de hand van God” over Ezra was. Tenminste, zo staat het in Wilkersons vertaling, de mijne geeft: “omdat de HEER, mijn God, mij beschermde“. Maar “hand van God” is typisch zo’n Bijbelsnipper die Wilkersons geest in werking zet:

Met andere woorden, God strekte Zijn hand uit, omhulde Ezra en maakte van hem een ander mens. Waarom zou God dit met Ezra doen? Er waren honderden geleerden in Israël in die tijd, zij hadden allen dezelfde roeping om te studeren en Gods woord aan het volk uit te leggen. Maar wat maakte Ezra anders dan die anderen? Wat maakte dat God Zijn hand op deze ene man legde en hem leiding gaf over 50.000 mensen om de gevallen stad Jeruzalem te herbouwen?

De schrift geeft ons het antwoord: “want Ezra had er zijn hart op gezet om de wet des HEREN te onderzoeken en haar te volbrengen” (Ezra 7:10). (..) Ezra (..) stelde het zoeken en gehoorzamen van Gods woord boven alles en week niet af van dat spoor. Hij zei tegen zichzelf “Ik ga een student van het Woord zijn, en ik zal handelen op basis van alles wat ik lees”.

Lang voordat God Zijn hand op Ezra legde was deze jongeman ijverig op zoek in de Heilige Geest. Hij stond het zichzelf toe om erdoor onderzocht te worden, erdoor gewassen en gereinigd te worden van al het vuil op zijn lichaam en geest. Ezra had honger naar de Schrift en verheugde zich er in. Hij stond het de Schriften toe om Zijn hart voor te bereiden voor ieder werk dat God voor Hem in petto had. Dat is de reden waarom de Heer Zijn hand op Ezra legde en hem zalfde. [mijn vet, PP]

Tegen het pathos van David Wilkerson is niemand opgewassen. Maar laat ik er toch het pietepeuterig monnikenwerk van bijbelwetenschappers tegenover stellen.

Gods Woord*
“Gods woord” in de tijd van Ezra bestond uit papyrusrollen van wisselende inhoud.

Het Bijbelboek Ezra is onderdeel van de vestigingsstrijd van Jahweh en de tempelpriesters. De Jahweh-aanhangers wilden afdwingen dat Jahweh als enige – en niet slechts eerste – God zou worden vereerd. De priesters zochten een maatschappelijke rol in het nieuwe Israël.

Een gelukkige omstandigheid leidde tot een gemeenschappelijk belang. Tot ieders verrassing verdreef de Perzische koning Cyrus in 539 de Babylonische koning onder wiens gezag de Joden stonden. Geen profeet had voorheen ooit een woord aan de Perzen gewijd maar nu viel Cyrus de eer ten deel “Gezalfde des Heren” te worden genoemd.

Het leven lachte de ‘Jahweh is de Enige’-gezinden en de verdreven priesters van de verwoeste tempel in Jeruzalem toe: een opvolger van Cyrus definieerde de Joden op basis van Jahweh en hun tempeldienst; droeg ze op zich aan “de wet” van hun God te houden; ze mochten terugkeren naar hun land van herkomst en ze mochten de tempel herbouwen!

In de euforie van de terugkeer uit de ballingschap ontstond het boek Leviticus, met zijn uitgebreide serie leefregels, geschreven door mensen uit de priesterhoek. Wat eten betreft: wel rundvee, schapen en vissen met schubben en vinnen, niet kamelen, klipdassen, twintig vogelsoorten, enzovoort.

Sommigen interpreteren het boek als een poging om het gehele Joodse volk te binden aan voorschriften die eerst alleen voor het priesterpersoneel van de tempel in Jeruzalem golden.

Ezra was afkomstig uit dit priestermilieu. In lijn met hun zuiverheidsstreven ageerde hij tegen het huwen van ‘buitenlandse’ vrouwen – voorheen geen probleem en evenmin als verbod opgenomen in “de wet”.

Ezra, zo verklaart het boek Ezra, nam op zijn tocht naar Jeruzalem “de wet van Mozes” mee. Waaruit bestond die wet in deze pre-bijbelse dagen?

Traditioneel denkt men dat dit de gehele pentateuch was, oftewel de eerste vijf boeken van de bijbel, van Genesis tot Deuteronomium, min of meer zoals wij ze nu kennen.

Dus had ergens tussen ongeveer 540 en 450 v.C. een onbekende bewerker geschreven tradities met elkaar verbonden en oudere en gerespecteeerde teksten verwerkt met ons ene boek van verhalen en wetten. Hij had gebruik gemaakt van de oude ‘noordelijke’ en ‘zuidelijke’ versies (E en J).

In de ballingschap hadden mensen van de ‘Deuteronomistische’ stroming waarschijnlijk al gedeelten van deze teksten bewerkt (zij zijn het geweest die in Genesis 15 Gods belofte van een land aan Abraham hebben ingevoegd – een bemoedigende belofte voor ballingen).

De onbekende bewerker had ook de gedetailleerde voorschriften overgenomen, die niet zo lang tevoren waren samengesteld door de priesterlijke auteur (P); hij maakte gebruik van het gedeelte waarmee het grote verhalende werk van de ‘Deuteronomisten’ begon, omdat ook dit een wetstekst was (dit kwam in grote trekken overeen met ons boek Deuteronomium, tot aan de dood van Mozes).

Uit deze vier bronnen maakte hij wat wij nu lezen als de eerste vijf boeken met onze latere titels, die gebaseerd zijn op Griekse vertalingen: Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri en Deuteronomium. De bewerking was niet buitengewoon moeilijk of subtiel, hoewel sommige moderne critici deze prestatie overschatten.

De montagetekst bevatte de nodige inconsistenties:

Het is niet vreemd dat de hieruit voortvloeiende ‘wet van Mozes’ mensen nodig had die ‘duidelijk voorlazen en uitlegging gaven, zodat men het voorgelezene begreep’ (Nehemia 8:9). Men vond hier drie afzonderlijke groepen wetten, samengesteld door verschillende personen in verschillende tijden en sindsdien aangevuld:

Exodus 20 tot 23 ging voor een deel terug op het gewoonterecht onder de koningen vóór de ballingschap;

Deuteronomium was te herleiden tot de schrijvers van het ‘wetboek’ van omstreeks 720-760, dat sindsdien ook was uitgebreid;  

Leviticus 11vv was toe te schrijven aan de priesterlijke auteurs tijdens de zesde eeuw voor Christus.

Er waren grote hiaten, duistere kwesties en tegenstrijdigheden in deze ‘wet’, die nooit zozeer het boek van één persoon is geweest als wel een combinatie en versmelting van ongelijkwaardige oudere geschriften.

Iedereen die zou proberen te leven volgens deze wetten en verder niets, zou in hopeloze verwarring terechtkomen. Gebrek aan samenhang was inherent aan de herkomst van dit boek.

Wie geen sterk karakter heeft, moet slim zijn
Door een petitie heeft Ezra het voor elkaar gekregen dat een Perzische vorst de wet van Mozes oplegde aan het bevrijde Joodse volk. Waar zelfs een krachtig karakter als Ezra de wegen van de wereld bewandelt, belet niets David Wilkerson – die natuurlijk ook aan zijn karakterzwakte moet blijven werken –  met een petitie Gods werk alsnog op grootse wijze te dienen. Mijn advies (regeren is vooruitzien): bied hem aan aan de Chinese president Hu Jintao.

*: Het lange citaat op het eind en de overige informatie over Ezra en Leviticus etc. is ontleend aan Robin Lane Fox, De Bijbel: waarheid en verdichting, 1991 (vertaling 1993, citaat op p.90-91)

Advertenties

The URI to TrackBack this entry is: https://hogerhoning.wordpress.com/2010/07/22/kwestie-van-karakterloosheid/trackback/

%d bloggers liken dit: