Onder algehele bewondering en gebrek aan belangstelling

Onberispelijke David Wilkersongelovigen worden beroemd om hun Godgezegende daden. Maar wie zijn de bewonderaars?

David Wilkerson was een prediker die in zijn vrije tijd, buiten zijn drukke werkzaamheden om – waaronder het produceren van vijf religieuze overdenkingen per week – extra preken schreef of in de grondverf zette. Na het hem noodlottig geworden verkeersongeval afgelopen april worden deze schrijfsels nu gepubliceerd.

Vorige week leidde dit tot drie preken over ‘onberispelijkheid’, vooral gebaseerd op 1 Tessalonicenzen 1. Vandaag volgen een vierde en vijfde inzicht. De inzichten op een rij:

  1. Wie bezeten is van het juiste motief* leeft onberispelijk.         * d.w.z: bewogen is met de Naam en glorie van Jezus en verteerd wordt door een immens verlangen Zijn Naam eer aan te doen.
  2. Bij nader inzien is het juiste motief geen waarborg tegen zonde en verzoeking. Uw onberispelijkheid dient altijd nog bewezen te worden. Belangrijkste manier van dat bewijs leveren is u onschuldig verklaren.
  3. Wel is hebben van het juiste motief lucratief: “God belooft geweldige gunsten voor de onberispelijke gelovige”.
  4. Wie zijn hart erop instelt, leeft onberispelijk. (Waarschijnlijk is het ‘instellen van het hart’ hetzelfde als ‘bezeten zijn van het juiste motief’ (1) of ‘zich onberispelijk verklaren’ (2)).
  5. Wie onberispelijk leeft, wekt de ergernis van lauwe en compromisvolle Christenen (“lauwe en compromisvolle Christenen zullen zich absoluut aan u storen”). Hun ergernis wordt gewekt door uw beroemdheid, welke volgt op uw roemruchte daden, die getuigen van Gods zegen.

De eis van beroemdheid als bewijs van onberispelijkheid stelde Wilkerson ook vorige week al. Hij verliet daarvoor toen 1 Tessalonicenzen 1 en sprong naar 1 Samuel 18, dat ook vandaag de bijbelse achtergrond van Wilkersons inzichten blijkt.

Wilkerson over beroemdheid als teken van een juist geloof:

Gods gunsten brengen ook een hoge waardering onder de mensen. (..) De man die de Naam van Jezus beschermt door een heilig leven te leiden ten overstaan van anderen zal een goede naam dragen tegenover hen – door God zélf! (..) De Schrift zegt het volgende: “Een goede naam is verkieslijker dan veel rijkdom, gunst is beter dan zilver en goud” (Spreuken 22:1). God geeft de rechtvaardigen een goede naam zodat ze deze kunnen gebruiken om Hem in een steeds grotere mate alle eer en glorie te geven!

Helaas is er een probleem. Minste probleem is nog de voorspoed van onberispelijke Christenen. Deze laat zich absoluut en simpelweg niet rijmen met de zware beproevingen en het ernstig lijden dat Wilkerson en de zijnen ondergaan en vol geestelijke vreugde dragen en waarover Wilkerson de meeste dagen van de week bericht.

Weliswaar lijden zij, in hun door Gods gunst voorspoedige levens, onder de ergernis van hun lauwe geloofsbroeders, maar die ergeren zich alleen zolang het hen voorspoedig gaat. Hoe zielig zijn ze dan nog?

Ernstiger en onoplosbaar probleem is hun beroemdheid zelf. We schetsen de hoofdrolspelers in Wilkersons gelijkenis nog eens, ter verheldering van het probleem:

  • Geërgerde en angstige lauwe Christenen – gerepresenteerd door de bijbelse koning Saul. Ze zijn geërgerd omdat de voorspoed van Wilkersonchristenen hen doet beseffen dat ze uit Gods gunst zijn:

Iedere keer als Saul in de buurt van David was herinnerde hij zich de tijd dat hij in de gunst van God stond en hoge waardering had bij mensen. Maar door ongehoorzaamheid, afgunst, trots en zijn eigen wil verloor Saul alles bij God.

Bang zijn ze ook: “David’s onberispelijke gedrag joeg vrees aan in het hart van Saul! (..) Hij [David] was zuiver van hart, vol van de Heilige Geest en Saul was bang voor hem“.

  • Onberispelijke/Wilkersonchristenen – zij staan voor David, de door God begunstigde
  • Het volk – dat bewondert de onberispelijke (Wilkerson-)christenen, daar staat God garant voor (“door God zélf!”) en verliest respect voor de lauwe Christenen.

Het probleem: wie zijn “het volk”, die correct bewonderende en verguizende mensen?

wie is het volk en wat geloven zij?

Bestond het volk uit onberispelijke Christenen, dan zouden zij “David” zijn, d.w.z. beroemd en door het volk bewonderd. Maar ze zijn “het volk”.

Bestond het volk uit lauwe gelovigen, dan zou het “Saul” zijn. Maar men is “het volk”.

Heidenen kunnen het ook niet zijn, want die bespotten onberispelijke gelovigen en achtervolgen hen fanatiek.

Zou God een slechte vergelijking gemaakt hebben? Nee! De fout is menselijk! Het is een uitlegfout! De fout is David Wilkerson! En inderdaad:

Nu moest Saul oog in oog staan met een jongere man – iemand met minder ervaring en waarschijnlijk niet zo welbespraakt – die de kracht en integriteit van heiligheid uitstraalde. Hij was zuiver van hart, vol van de Heilige Geest.

  • Wilkersons weinig zelfkritische natuur spreekt ook uit zijn bewering dat David “waarschijnlijk niet zo welbespraakt” was als Saul. Hij baseert dit niet op enige Bijbeltekst. David was geen tiener meer. Er is, naar hedendaagse maatstaven, geen reden waarom David Saul niet zou kunnen overtreffen in spreekvaardigheid. De twaalfjarige Jezus in de tempel versloeg de schriftgeleerden met gemak. Laten we wel zijn: in 1 Samuel is geen der personages bijzonder welbespraakt.
  • Anderhalf jaar terug behandelde Wilkerson dit verhaal van Saul en David al eens. Toen voegde hij een ander personage toe dat in de tekst niet voorkomt: de “duivel”. Zoals ik destijds concludeerde: “Voor een gehoorzaam Christen is David Wilkerson behoorlijk ongehoorzaam. Hij zet 1 Samuel 18 naar zijn hand, zo weinig dienstbaar voor een dienaar Gods. Wilkersons eerdere hovaardij kunt u hier nalezen.

De situatie is hopeloos. Vandaag beweert Wilkerson dat Saul bang van David is en dat Saul herinnerd wordt aan de tijd dat hij nog in Gods gunst stond. Anderhalf jaar terug was Saul een bezetene en schreeuwde de duivel het in/door ledenpop Saul uit.

Vandaag is de Wilkersonvolgeling zegevierende David, anderhalf jaar terug was hij Saul, d.w.z. herinnerde Wilkerson aan de machinaties van de duivel in de volgelingen:

Omdat hij u vreest, is hij er op uit om uw strijdlust af te laten nemen. De duivel doet dit door te proberen uw gedachten te laten overstromen met verslagen, afleidende en helse gedachten die wantrouwen tegen God opwekken en vraagtekens zetten bij Zijn kracht. Hij zal het in uw gedachten en geest uitschreeuwen “Het heeft geen zin meer om te strijden, jij bent veel te zwak door al je persoonlijke worstelingen. Je zult nooit maar dan ook nooit overwinnaar zijn. De krachten van de hel zijn veel te sterk om te overwinnen. Dus je kunt net zo goed lekker achterover blijven zitten, je hoeft je niet meer zo druk te maken over de strijd”.

Het moest er eens van komen en het voorspelbaar lot (geen streek van de duivel) van iedere onberispelijk gelovige: men kan niet geloven én nadenken en argumenterend schrijven tegelijkertijd. Het laatste doet afbreuk aan het eerste.

Correct geloven leidt tot onzin, die op eigen kracht niemand overtuigt, slechts hen die afzien van overtuigd willen worden en zonder denken de geloofssprong wagen.

Men vindt zich daarna terug in een enclave, waarvoor publieke belangstelling ontbreekt, net zoals gespreksstof. God is intern de gangmaker.

Advertenties

The URI to TrackBack this entry is: https://hogerhoning.wordpress.com/2011/09/12/onder-algehele-bewondering/trackback/

%d bloggers liken dit: