Heetgeblakerde ketelmuziek

Niet ieder ketel fluit een vrolijke deun. David Wilkerson en zijn volgelingen koken droog met afgrijselijke kreten van ontzag.

David Wilkerson, de inmiddels al een tijd overleden prediker, werd op aparte wijze van iets overtuigd. Neem Johannes 15:1-2, 6. In 1987 las hij de bekende woorden weer eens. Het werd de basis van een preek, die vandaag, om onduidelijke redenen, in het Neder- lands werd vertaald. Hij schreef:

Emotionele taal zonder argument. Lastig als je niet David Wilker- son bent. Ik bedoel, ook “U bent een sukkel, mijnheer Wilkerson” bevat woorden vol veroordelende kracht. En zelfs zonder Heilige Geest ben ik overtuigd van de noodzaak woorden te begrijpen.

Niet alleen Wilkerson’s manier van overtuigd worden is apart, ook zijn manier van anderen overtuigen. Zo bevat Johannes 15 onmis- kenbaar dreiging, hoe je het ook wendt of keert. Er wordt ge- snoeid, takken worden afgesneden, in een vuur geworpen en ver- brand. Toch echt een andere God dan die een vreugdesprongetje maakt:

Hij waakt over Zijn wijngaard en alle ranken die er met grote ijver en zorg op geënt zijn. Hij wacht geduldig tot de ranken vrucht voortbrengen. Hij staat er naast met een snoeimes in Zijn hand, en kijkt liefdevol naar ieder kleinste bewijs van corruptie, plaag of ziekte die de groei kan verhinderen.

Het is heel belangrijk dat Wilkerson hierboven “liefdevol” schrijft, anders zouden mensen maar zo op het idee kunnen komen “on- verbiddelijk” op die plek in te vullen. Past net zo goed!

Is u trouwens opgevallen hoe merkwaardig werkeloos Wilkerson God de Landman omschrijft: “hij wacht geduldig”, “staat ernaast” en “kijkt liefdevol”. Net alsof hij niet medeverantwoordelijk is voor de bloei van de plant! Wat doet dat snoeimes dan in zijn hand?

Wilkerson begrijpt de agressieve kant van snoeien toch ook wel:

Het kan misschien hard of liefdeloos klinken voor som- migen, maar de waarheid is vrucht dragen of in het vuur geworpen worden! Vrucht dragen of afgesneden worden van de wijngaard! Vrucht dragen of afgevoerd worden om te verdorren en te sterven!

Kale, vruchteloze ranken blijven niet lang in stand! (..) Ze worden afgesneden, niet door de duivel, maar door de hemelse Vader.

Ik begon in te zien hoe ontnuchterend deze zaak van vrucht dragen is.

Net zo vreemd is Wilkerson’s aanname dat ieder wijnrankje er zelf voor verantwoordelijk is vrucht te dragen. Alsof een wijnrankje kan kiezen de plant te verlaten teneinde elders meer – of, als het een zondig rankje is, minder – vrucht te dragen.

Wandelende tak

een wandelende tak bestaat maar een wandelende wijnrank niet

Maar Wilkerson neemt het aan en stelt zich vervolgens de vraag: wordt een Christen, zo’n wijnrank, door angst bewogen om “vrucht te dragen” of door liefde?

Zijn antwoord: ik door beide. Wilkerson’s betere ik (zijn ‘hart’) wil niets liever dan vruchtdragen, zijn zondigende ik wil het uit vrees voor het snoeimes: “Ik heb ook een vrees van een heilig God in mij – een Vader die iedere onveroordeelde hypocrisie of nepheid in mij niet kan verdragen”.

Ieder rankje weet dat wanneer het afgesneden wordt, het ernaar gemaakt moet hebben. De Landman snijdt niet zonder reden.

Wilkerson stelt het dan ook voor alsof iedere wijnrank grote ach- ting koestert voor het snoeimes:

Hij [Jesaja] had vanaf die dag een vrees en schrik over zich heen voor Zijn rechtvaardig en heilig oordeel!

Misplaatste bleuheid spreidt Wilkerson daarentegen weer ten toon als hij vermijdt de doodstraf – het snijden en in het vuur gooien – in volle glorie te benoemen:

Deze generatie [die van 1987 – maar vul hiervoor gerust alle eerdere en latere generaties in] ziet God maar al te vaak als een toegeeflijke, lieve opa wiens enige reden van bestaan is om hen te verwennen en te zegenen. (..) Maar zo’n God bestaat niet! God is liefdevol, genadig en zachtmoedig! Maar Hij is ook heilig!

Voor de rest is Wilkerson’s geassocieer een beetje vermoeiend. Ik bedoel, louter omdat Paulus in een brief aan de Filippenzen ter
loops
over een “vrucht” spreekt, meent Wilkerson dat hij “hier helpt om de passage in Johannes uit te leggen”. Heel knap, al was het maar omdat het evangelie van Johannes toen nog geschreven moest worden. Ik geef u de passage (+ alle voorgaande zinnen, voor de context):

Van Paulus en Timoteüs, dienaren van Christus Jezus. Aan alle heiligen in Filippi die één zijn in Christus Jezus, en aan hun opzieners en dienaren. Genade zij u en vrede van God, onze Vader, en van de Heer Jezus Christus.

Ik dank mijn God altijd wanneer ik aan u denk, telkens wanneer ik voor u allen bid. Dat doe ik vol vreugde, om- dat u vanaf de eerste dag tot nu toe hebt bijgedragen aan de verspreiding van het evangelie. Ik ben ervan over- tuigd dat hij die dit goede werk bij u begonnen is, het ook zal voltooien op de dag van Christus Jezus.

Het spreekt vanzelf dat ik zo over u denk, want u allen ligt me na aan het hart. U hebt immers allen deel aan de genade die mij geschonken is, of ik nu gevangenzit of de waarheid van het evangelie verdedig. God kan getuigen dat ik naar u allen verlang met de genegenheid van Christus Jezus. En ik bid dat uw liefde blijft groeien door inzicht en fijnzinnigheid, zodat u kunt onderscheiden waar het op aankomt. Dan zult u op de dag van Christus zuiver en onberispelijk zijn, vol van de vruchten van de gerechtigheid, die u dankt aan Jezus Christus, tot lof en eer van God. [vet PP]

Het volgende vers maakt, ten overvloede, duidelijk dat Paulus geen diepzinnige terugverwijzing naar het boek Johannes op het oog had:

U moet weten, broeders en zusters, dat wat mij is over- komen er juist toe bijdraagt dat het evangelie wordt ver- spreid. Het is iedereen in het Romeinse hoofdkwartier en alle anderen duidelijk geworden dat ik gevangenzit om- wille van Christus.

Nog eens anders gezegd: hoe weet Wilkerson zo zeker dat Paulus, als hij dan terugverwijzen zou, niet terugverwijst naar een van de vele andere Bijbelteksten met “vrucht” erin?

Vervolgens begint Wilkerson te mekkeren over televisie – waar- om niet over het pornografisch vervuilde internet waarop u deze overdenking leest en die van Wilkerson geplaatst is, gooi die com- puter toch het raam uit!

Dit is de reden waarom ik geen TV in mijn huis wil hebben. Niet omdat het wegwerpen van dat apparaat verdienstelijk is, en ook niet omdat de afwezigheid van een TV mij heiliger zou maken – het is omdat het een hindernis is voor de levensstroom van Christus in de wijnstok. Het is een plaag, een zaadje van kanker die een geestelijk dood kan teweegbrengen en omdat het maakt dat ik vruchteloos word.

Onbedoeld onthult Wilkerson de zwakte van de wijnstokvergelij- king. Immers, wat kan een wijnrank nu eigenlijk  d  o  e  n  om vruchtbaar te zijn? Hij kan niet zelf voor regen en voedingsstoffen zorgen. Hij zit vast aan de wijnstok. Hij dient gevoed.

De landman (God de Vader) moet voor eventuele extra voeding en bevloeiing zorgen, als moeder natuur er niet in voorziet. Zoals Ja- cobus 5:7 zegt (in een vers dat Wilkerson nog maar 5 dagen terug aanhaalde):

Hebt dus geduld, broeders, tot de komst des Heren! Zie, de landman wacht op de kostelijke vrucht des lands en heeft geduld, totdat de vroege en late regen erop gevallen is. [vet van PP]

En schreef hij mei vorig jaar niet:

Want de dag des Heeren is nabij. De bladrupsen van drugs en alcohol hebben niet langer meer toe- stemming om de levens van onze jeugd weg te vreten. God zal iedere kaalvreter vernietigen.[vet PP]

Hier ontpopt God zich wèl als actieve landman die Zijn planten be- hoedt voor aanvraat (nadat hij eerst hoogstpersoonlijk toestem- ming heeft gegeven aan de bladrupsen om te vreten).

Wilkerson’s wijnstok neemt geen water op maar “de levensstroom van Jezus”. Een oude dommigheid: Wilkerson is niet bij machte een vergelijking te scheiden van de interpretatie van die vergelij- king.

Omdat u, als devote Wilkersonvolgeling, hier even grote moeite mee heeft, druk ik mijn mededeling nog eens aanschouwelijk op zijn Wilkersoniaans uit: een goed begrip van het verschil tussen een vergelijking en wat die vergelijking betekent, bevindt zich boven het hoofddeksel dat u opheeft.

Zijn algehele gebrek aan kritische zin doet Wilkerson vervolgens weer eindigen met een wijnrank met ‘eigen verantwoordelijkheid’:

Als gevolg daarvan [van het ‘liegen’ door collega-predi- kers] zijn veel gelovigen ervan overtuigd dat wanneer je eenmaal aan de wijnstok hangt, dat je voor altijd in de wijnstok bent. Ze geloven dat ongeacht hoe verstopt of ziek de rank is het leven van Christus toch nog door hen heen stroomt en dat ze kostbare vruchten dragen voor de glorie van God.

Wie is verantwoordelijk voor de ziekte van de rank? De wijnrank? De bladrups? De landman? De te weinig voedzame levensstroom?

Hoe is het mogelijk dat een rank aan Hem niet naar Hem luistert?

Hoe is het mogelijk dat iemand deze wartaal ernstig neemt? Dat de sprekers ervan zichzelf “religieus” durven noemen? Jezus draait zich om aan het Kruis, verdwijnt in de grot en rolt de rots er weer voor! Alles is voor niets geweest! Voor niets!

Het fluitketeltje
Meneer is niet thuis en mevrouw is niet thuis,
het keteltje staat op het kolenfornuis,
de hele familie is uit,
en het fluit en het fluit en het fluit: túúúút

De pan met andijvie zegt: Foei, o, foei!
Hou eindelijk op met dat nare geloei!
Wees eindelijk stil asjeblief,
je lijkt wel een locomotief.

De deftige braadpan met lapjes en zjuu
zegt: Goeie genade, wat krijgen we nu?
Je kunt niet meer sudderen hier,
ik sudder niet meer met plezier!

Het keteltje jammert: Ik hou niet meer op
Het komt door m’n dop! Het komt door mijn dop
Ik moet fluiten, zolang als ik kook
en ik kan het niet helpen ook!

Meneer en mevrouw zijn nog altijd niet thuis
en het keteltje staat op het kolenfornuis,
het fluit en het fluit en het fluit.
Wij houden het echt niet meer uit… Jullie?

Advertenties

The URI to TrackBack this entry is: https://hogerhoning.wordpress.com/2011/12/10/heetgeblakerde-ketelmuziek/trackback/

%d bloggers liken dit: