Mijn gelijk zat me in de weg

Een vinger geven en de hand nemen – kent u die uitdrukking? Die spanning of dynamiek kenmerkt ook de combinatie van Christelijke vergevingsgezindheid en onchristelijk groot gelijk.

Wij zijn allen hopeloos subjectief. Naarmate de jaren vorderen, worden steeds oudere mensen voor ons jong. Je vijftienjarige ik kijkt neer op pukkies van acht en verlangt naar de volwassenheid – achttien jaar te zijn!

Je leraren en leraressen op de middelbare school zijn stokoude dames en heren van eind twintig, met enkele opa’s en oma’s van vijftig of nog ouder. Hun leven interesseert je niet. Ze bestaan in functie van jou.

Als kind ben je gewend dat ouders je noden vervullen en misschien is dat goed, er pleit veel voor om dat tot de verantwoordelijkheid van ouders te rekenen. Stel je voor dat je elke dag in de rats moet zitten of je ouders je wel voeden of kleden willen…of vader of moeder vandaag wel of niet van je houden…

De adolescentie is een overgangsfase. Bedoeld of onbeseft eet het kind daarin van twee walletjes. Ouderlijke zorg wordt nog als vanzelfsprekend aanvaard/geëist maar tegelijk waant het kind zich zelfstandig. Het neemt – doorgaans nogal boude – posities in, overweldigd in de eerste krachtmeting met de grote vragen van het bestaan.

Resten van dit natuurlijk egoïsme zijn nog lang aan te wijzen. Het verklaart misschien waarom prediker David Wilkerson (1931) zijn ik van eind dertig nog als ‘jong’ omschrijft. Wat was het geval? Eens, enkele jaren na de ‘summer of love’ van 1967, sprak hij verdwaasde hippies toe. Van gekkigheid niet wetend wat te doen, was een gedeelte van hen (terug) bekeerd tot het Christendom. Wilkerson herinnert zich het optreden van zijn jeugdiger zelf:

Ik herinner me dat ik als jonge evangelist tijdens een actie predikte voor 5000 mensen in Los Angeles. Tenminste 2000 van deze mensen waren Christelijke hippies. (..) Veel van deze jonge mensen lagen languit voor mij op de grond, met blote voeten, lang haar en gescheurde kleren.

Wilkerson was in deze niet zo jonge jaren niet vrij van menselijke ijdelheid en wereldse verlangens:

Ik [was] gekleed in een chique blauwe blazer met stropdas, de nieuwste broek en glimmende schoenen.

Wel schortte het hem aan immateriële kwaliteiten als inlevingsvermogen en tact:

Toen ik het podium opkwam begon ik te roepen naar die kinderen “Sommigen van u zien er verschrikkelijk uit. Trek eens wat fatsoenlijke kleren aan en ga naar de kapper voordat u hier morgen weer komt!”

Het was een gênante vertoning. De hippies waren wrakkige hoopjes menselijkheid, drijfhout, aangespoeld op de kust van Wilkersons oratorisch talent – en wat kregen ze:

Ze huilden terwijl ze me zeiden “We geloven dat u een man van God bent, maar u mist iets”.

Het botte gedrag van Wilkerson had geoogst wat het had gezaaid. Weinig verdwaalde kinderharten werden bereikt. Nu ja, ze werden tot tranen toe geroerd en één bevingerde de fijne stof van Wilkersons tenue (“Wat een prachtig pak”, zei hij – hadden ze dan toch smaak?). Hoe het afliep? Het liep niet af. Veertig jaar later, nu echt niet ‘jong’ te noemen meer, kijkt Wilkerson terug op de episode en meent te weten waaraan het hem ontbrak: hij had de genade niet:

Ik weet nu dat het genade was dat ik tekort kwam. Ik ben nooit meer tekeer gegaan over dit onderwerp, God had me een harde les geleerd, een les waarvan ik hoop dat deze in mijn hart zal blijven hangen.

Wilkerson is vaag over het moment dat het inzicht bij hem daagde. Was het in 1968 of 1969? Niet ter plekke in elk geval. Zijn opmerking doet daarbij het ergste vrezen. Heeft hij wel iets opgestoken? Zelfs een ongelovige kan een wijze les uit het gebeurde  trekken. Bijvoorbeeld:

  • Het is verstandig je te verplaatsen in het gehoor dat je wilt overtuigen. Afgeven op hun kledingkeuze, in het algemeen anderen je eigen normen opleggen, is een riskante overtuigingsstrategie. Stroopsmeren in enige mate en zeker het vertrekken vanuit wat je aan waarden en overtuigingen deelt met je gehoor is aanbevelenswaardig.

Wilkerson meent dat hij destijds “de genade” miste. Het is zo’n lege religieuze term die je altijd kunt laten vallen en waarop hij verder ook niet doorgaat. Hij vult aan met het begrijpelijker, wereldse ‘vriendelijkheid’, zoals ‘genade’ op wereldse ‘vergevingsgezindheid’ lijkt:

We dienen in eerste instantie zuiver te zijn [niet roken, niet drinken, geen seks met iemand anders dan de huwelijkspartner is dat deze preek, maar de lijst is uit te breiden, bijvoorbeeld met weinig televisiekijken]. Maar genade en vriendelijkheid dienen daarop te volgen.

Wat hier religieus aan is, mag u me uitleggen. Het is een zalvende versie van wat in wereldse taal helderder, onontkoombaarder en daarmee uiteindelijk meer ethisch kan worden gezegd.

De toegevoegde dwingerigheid in religieuze zaken maakt het daarbij tegendeel van wat het voorgeeft te zijn. Onbuigzaamheid (de eis van zuiverheid, “Niemand heeft ooit een krachtiger boodschap gepredikt over heiligheid en zuiverheid dan ik in de afgelopen jaren“) en vergevingsgezindheid (‘genade’, ‘vriendelijkheid’) blijven een lastige combinatie.

Het is die zelfovertuigdheid de positie van rechter en strafuitdeler te mogen innemen die mensen wegjaagt. Zo onbescheiden.

Advertenties

The URI to TrackBack this entry is: https://hogerhoning.wordpress.com/2012/07/27/mijn-gelijk-zat-me-in-de-weg/trackback/

%d bloggers liken dit: